|
|
|
De Brand
De nijverheid brandt af
In het vroege voorjaar van 1868 komt de familie in een delftlandse vlet met hun inboedel aan in Sassenheim.
Zij vestigen zich in de molen en omdat Speelman al spoedig de naam heeft van een goede molenaar te zijn gaan ook
bij hem de zaken voor de wind.
In het voorjaar van 1869 overkomt Speelman waar iedere molenaar, zeker in die tijd toen er nog geen
veiligheidsvoorschriften bestonden, bang voor is. Tijdens een hevig onweer in begin februari 1869 slaat de bliksem
in de molen en in een oogwenk staat de molen in de brand. De Sassenheimse brandweer moest van ver komen en hout met
riet branden snel en hevig. Het hele gezin lag al te slapen en voor het bed van vader en moeder Speelman slaapt in
zijn wieg de pasgeboren zoon Hans. Het vuur heeft de graanzolder al bereikt als het echtpaar wakker schrikt. Met
veel moeite weet de familie naar buiten te komen. De molen brandt, op de stenen molenmuren na, geheel af. Speelman
gaat niet bij de pakken neerzitten en koopt een, naar aangenomen, een houten molenbovenkant in Amsterdam. In die
tijd werden in Amsterdam veel stadskorenmolen afgebroken voor stadsuitbreiding.

Boven de grote molendeuren geplaatste steen vermeldt: de eerste steen gelegd door Elias Johannes Speelman den 8
februari 1869 (zie foto voor huidige steen boven de deur) . Al in de zomer van 1869 kan Speelman zijn
klanten bedienen.
Spoedig daarna koopt Speelman zijn eerste kraam bloembollen. Het gaat hem ook in het bloembollenvak voor de wind en
al in 1876 verruilt hij de molen voor naast de molen nieuw gebouwde ruime woning. In 1882 vindt bestemmingsverandering
van de molen plaats. De houten bovenachtkant van de molen wordt tot op de stenen onderbouw afgebroken en verkocht.
De stenen onderachtkant wordt bollenschuur van de jonge firma E.J.Speelman & Zonen. De eerste twee etages worden
opslagplaatsvoor de bloembollen en de derde verdieping wordt kantoor. Spoedig worden er schuren bij gebouwd. Tevens
gaan ze over op de export van Bloembollen. De molen krijgt een puntdak met een dakkapel en blijft jarenlang woning
van de schuurbaas.
De firma C.J.Speelman & Zonen wordt een van de grootste bedrijven van Sassenheim en de Bollenstreek. In het jaar
1900 trekt Cornelis Speelman zich terug uit de zaken. Zoon Elias neemt de leiding over. De zaken blijven goed gaan en
de bedrijven worden steeds groter. Daar Elias geen zonen heeft gaat de zaak in 1916 over op zijn schoonzoon. Helaas
gaan de zaken in de jaren zeventig slecht en de firma wordt tenslotte opgeheven.
De brand onderzocht door P. J. M. de Baar archivaris uit Leiden
Het archiefonderzoek dat ingesteld is om dit alles bewijsbaar bevestigt te krijgen, was uiterst moeizaam. In de
kranten wordt er niets over gemeld, de notulen van de vergaderingen van B.& W. en de gemeenteraad van Sassenheim
tonen niets aan dat er over gesproken is, de gemeenteverslagen over 1869 en 1869 zijn weg, er zijn geen ingekomen
stukken of verzonden brieven over de gebeurtenissen rond de molen geboekstaafd; alles leek negatief. Min of meer ten
einde raad werden de gemeenterekeningen geraadpleegd om te zien of er b.v. premis uitgekeerd werden aan brandweerlieden.
Daar was geen sprake van, maar toch leverde dit het “eureka” op. Bij de rekening over 1868 (inv.nr. 273-58 hoofdstuk
43 art.6 bijlagen 130 – 145) zijn gevoegd de zeer weinige bijlage die de inventarisator bij het vernietigen gespaard
heeft en blijkbaar is deze vakkundig geweest, want de inderdaad kostbare snippers heeft hij niet weggegooid. Het
blijkt te gaan om de afrekening van de kosten die vooral de gemeenteontvanger gemaakt en voorgeschoten had bij de
bestrijding van maar liefst 3 branden in het jaar 1868. Wat de eerste brand betreft (bijlagen 130 – 134: totaal
f 21,85 en een halve cent) is betaald/voorgeschoten aan J.Chr.H. Jansen “voor het geleverde ten dienste der manschappen
gewerkt hebbende bij de brand van den Heer Speelman: 2½ flesch genever, f1.62½:brood,boter&kaas voor
28 man f4.48: totaal f 6.10½: idem C. van Dijk voor geleverde koffij & melk aan de manschappen, gewerkt
hebbende bij den brand op 8 maart 1868 f 1.75; idem H.Kruyff f 10.—wegens voor mij als opperbrandmeester aan 20 manschappen
uitgekeerd, die bij den brand van 8 maart 1868 buiten gewone dienst hebben gedaan; Idem H.Kruijff f 4.—aan 4 manschappen
uitgekeerd, die bij den brand van 8 maart 1868 den daarop volgenden nacht hebben gewerkt”.
Dan was er een brand op 4, 5, of 6 juli (de gegevens spreken elkaar tegen) in vermoedlijk een schuur. De Officier van
Justitie uit Leiden heeft op de plaats van de brand geinspeteerd en op verzoek stuurde burgemeester P.Lijndrajer bij
brief een proces-verbaal, waarbij hij nog meldde “dat er onder de ingezetenen van den lageren stand gemompeld wordt,
alsof Arend Geerlings, opperman alhier, den brandstichter zoude wezen”. Die was verslaafd aan alcohol en aanwezig op
het terrein tijdens de brand “en dapper bezig met onschadelijk maken van den brandende hooischelf”. Kort tevoren was
er “braak” geweest in een schuur; de Officier van Justitie vroeg bij schrijven van 25 juni om een proces-verbaal
daarover, maar alles wat de burgemeester ten behoeve van Justitie verrichtte, is buiten het gewone archief gehouden en
denkelijk verloren gegaan, overigens zoals ook het archief van de Arrondissementsrechtbank te Leiden zelf. Overigens
was het wellicht toch een wat onrustige tijd, want een jaar later, in de nacht van 24 op 25 mei 1869, werd ingebroken
in de R.K. kerk, vergezeld van diefstal van een koperen zoogenaamde Godslamp. Erg Interessant is de derde brand van 1868.
De gemeenteontvanger betaalde “wegens restitutie van de door hem voorgeschoten gelden aan verschillende ingezetenen als
beloningen voor hulp bij gelegenheid van den brand in de gemeente op 29 oktober 1868 f 21,90” . Op een aangehecht
papiertje staat: “den brand op 29 october 1868” , en op een ander “wegens bewezen diensten als waker bij het geborgen
en overgebleven goed bij gelegenheid van den Brand op 29 october 1868” . Pas in het volgend boekjaar, op 2 februari 1869
(bijlage 141), betaalde de gemeenteontvanger aan “J.C.H. Jansen, winkelier te Sassenheim, wegens geleverde verteering en
licht bij gelegenheid van den Brand bij den molenaar Speelman aldaar, den 29 October 1868 f 42.91, verder gespecificeerd
als: 31 eenponders witte brooden à 12 ct.; 6 lb . 2 ons boter à 90 ct.; 12lb. Ons worst à 45 ct.;
15 kan jenever f 15.--; 9 ketels koffij f 11,70;lb. Tabak f 0,50 en kaarsen f 0.35.”Wanneer uit de literatuur bekent is
dat in de vroege morgen (zeg maar nacht) van 29 oktober 1868 een extreem zware onweersbui vooral ten noordoosten van Leiden
ernorme schade bracht ( onder Oudshoorn brandden twee molens en onder Aarlanderveen een), is niet volstrekt onmogelijk dat
toen ook de bliksem in Sassenheim is ingeslagen. Het zal zeker in de donkere uren geweest zijn, want Jansen leverde kaarsen
(‘licht”) en dat bij een fikse brand! Maar wat heeft de bliksem getroffen, de molen of een molenaarshuis? Aangezien bij
de eerste brand wordt vermeld dat er in de nacht erna door brandweerlieden gewaakt moest worden., heeft er toen iest gebrand
dat langdurig nageblust moest worden, hetgeen bij een huis doorgaans niet nodig is. Voorzichtig, uiterst voorzichtig,
concludeer ik dat er vermoedelijk op 8 maart 1868 de molen is uitgebrand, waarbij mogelijk het graan nageblust moest
worden (of het nog onbeschadigde graan bewaakt i.v.m. diefstal), en op 29 oktober de bliksem het huis nabij de molen trof,
in de nacht, zodat het verhaal over het op het nippertje geredde kind in de wieg kan kloppen: bij blikseminslag grijpt het
vuur vaak enorm snel om zich heen. Van zelf sprekend kan daartegen ingebracht worden dat de brand van 8 maart mogelijk het
wagenhuis (met paardenstal en veel hooi dat nageblust moest worden?) in de as legde en de bliksem op 29 oktober 1868 de
molen trof, waarna de brand (onverwachts) oversloeg op het huis, waarna de paniek om de baby ontstond.
|
|